Tokkelpatronen op gitaar: zo begeleid je liedjes met je vingers
Met een tokkelpatroon speel je de snaren van een gitaar één voor één in plaats van ze tegelijk aan te slaan. Dat geeft een liedje een rustige, melodische begeleiding en past goed bij pop, folk, ballads en singer-songwritermuziek. Met een paar eenvoudige patronen kun je al veel nummers begeleiden.
Welke vingers gebruik je?
Bij fingerpicking krijgen de vingers vaak vaste taken:
- p staat voor de duim. Die speelt meestal de bassnaar: de lage E-, A- of D-snaar.
- i staat voor de wijsvinger. Die speelt meestal de G-snaar.
- m staat voor de middelvinger. Die speelt meestal de B-snaar.
- a staat voor de ringvinger. Die speelt meestal de hoge E-snaar.
De snaren worden genummerd van 1 tot en met
De hoge E-snaar is snaar 1; de lage E-snaar is snaar 6. Welke bassnaar je met je duim speelt, hangt meestal af van het akkoord. Bij een C-akkoord speel je bijvoorbeeld vaak de A-snaar, terwijl je bij een G-akkoord meestal de lage E-snaar gebruikt.
Een patroon lezen
Een patroon als bas – G – B – hoge E betekent dat je eerst de bassnaar speelt en daarna de G-, B- en hoge E-snaar. Speel de snaren na elkaar en houd het akkoord vast. In vingerzettingen kun je hetzelfde patroon noteren als p – i – m – a.
Drie eenvoudige tokkelpatronen
Vier tellen, vier snaren
Bas – G – B – hoge E
Speel één noot per tel: bassnaar op tel 1, G-snaar op tel 2, B-snaar op tel 3 en hoge E-snaar op tel
Dit rustige patroon is geschikt om mee te beginnen. Gebruik je duim voor de bassnaar en achtereenvolgens je wijs-, middel- en ringvinger voor de andere snaren.
Een patroon van zes noten
Bas – G – B – hoge E – B – G
Dit patroon klinkt als een vloeiende beweging omhoog en weer omlaag. Je kunt het gelijkmatig tellen als 1 – 2 – 3 – 4 – 5 – 6. Probeer de bassnaar op de eerste tel iets meer nadruk te geven, zodat de begeleiding een duidelijke puls krijgt.
Een afwisselende bas
Bas – hoge E – B – G – B – hoge E
Bij dit patroon klinkt de melodieachtige bovenkant van het akkoord afwisselend. Het werkt goed bij langzame nummers. Speel de noten eerst langzaam en gelijkmatig; verhoog het tempo pas als je vingers de volgorde vanzelf vinden.
Zo oefen je een tokkelpatroon
- Begin met één akkoord. Zo kun je je aandacht volledig richten op je rechterhand.
- Oefen de vingers los van elkaar. Laat de duim een bassnaar spelen en oefen daarna de hogere snaren met je vingers.
- Houd het tempo rustig. Een metronoom kan helpen. Kies een tempo waarop elke noot helder klinkt.
- Herhaal het patroon. Speel het meerdere keren achter elkaar zonder te pauzeren.
- Voeg akkoordenwisselingen toe. Wissel pas van akkoord wanneer het patroon op één akkoord soepel loopt.
Veelgemaakte fouten
- Te hard trekken aan de snaren: gebruik een kleine, ontspannen beweging voor een gelijkmatig geluid.
- Onbedoelde snaren raken: houd je vingers dicht bij de snaren die ze moeten spelen.
- De basnoot vergeten: laat de duim het ritme ondersteunen en zorg dat de bas op een vaste plek terugkomt.
- Te snel willen spelen: nauwkeurigheid en een gelijkmatig ritme zijn belangrijker dan snelheid.
- De hele hand aanspannen: houd je pols en vingers zo ontspannen mogelijk.
Geef het patroon een eigen ritme
Als een patroon goed lukt, kun je het muzikaal interessanter maken. Speel bijvoorbeeld de bassnaar iets harder, laat sommige noten zachter klinken of sla een snaar af en toe over. Ook kun je hetzelfde patroon op verschillende akkoorden toepassen. Zo ontstaat een herkenbare begeleiding die toch bij de sfeer van het liedje past.
Tokkelpatronen leren kost wat oefening, maar je hoeft niet meteen ingewikkelde fingerstyle te spelen. Begin met een eenvoudig patroon, houd het tempo constant en luister goed naar de klank van elke snaar. Vanuit die basis kun je steeds meer variaties ontdekken.
5 tips om tokkelpatronen op gitaar soepel te leren spelen
- Begin langzaam en houd een gelijkmatig tempo.
- Oefen duim en vingers eerst afzonderlijk.
- Gebruik de duim voor de bassnaren.
- Herhaal een patroon tot het soepel klinkt.
- Wissel pas van patroon als je ontspannen speelt.
Begin langzaam en houd een gelijkmatig tempo.
Begin rustig met een tokkelpatroon en houd elke noot gelijkmatig. Zo kunnen je vingers de juiste bewegingen aanleren en klinkt de begeleiding helder en vloeiend. Een metronoom kan helpen om het tempo vast te houden. Verhoog de snelheid pas wanneer je het patroon meerdere keren achter elkaar foutloos en ontspannen kunt spelen.
Oefen duim en vingers eerst afzonderlijk.
Oefen je duim en vingers eerst afzonderlijk om de bewegingen goed onder de knie te krijgen. Laat je duim rustig de bassnaren spelen en oefen daarna met je vingers de hogere snaren. Als beide bewegingen soepel en gelijkmatig klinken, combineer je ze in een tokkelpatroon. Zo bouw je stap voor stap aan een ontspannen techniek en voorkom je dat je vingers elkaar in de weg zitten.
Gebruik de duim voor de bassnaren.
Gebruik je duim voor de bassnaren: dat zijn meestal de lage E-, A- en D-snaar. Welke snaar je speelt, hangt af van het akkoord. Zo klinkt de bas duidelijk onder de hogere tonen, terwijl je wijs-, middel- en ringvinger de andere snaren tokkelen. Oefen eerst langzaam en houd je hand ontspannen, zodat elke noot helder klinkt.
Herhaal een patroon tot het soepel klinkt.
Herhaal een tokkelpatroon rustig en gelijkmatig totdat je vingers de beweging bijna vanzelf maken. Begin op een laag tempo en let erop dat elke snaar helder klinkt en het ritme constant blijft. Verhoog de snelheid pas wanneer het patroon soepel aanvoelt; zo bouw je controle op zonder onnodige spanning in je hand.
Wissel pas van patroon als je ontspannen speelt.
Wissel pas van tokkelpatroon als je het huidige patroon ontspannen en gelijkmatig kunt spelen. Wanneer je vingers de beweging vanzelf vinden, houd je meer aandacht over voor het akkoordenspel en het ritme. Zo voorkom je dat je gaat haasten of je handen aanspant. Oefen een nieuw patroon eerst langzaam en stap pas over wanneer het soepel aanvoelt.
